Tot in de zeventiende eeuw bestond er geen alternatieve geneeskunde en conventionele geneeskunde. In de middeleeuwen waren ziekte en dood het terrein van God. Er waren twee soorten geneeskundigen. Vooreerst had men de theoretici, de doctores medicinae. Volgens hen werden ziekten veroorzaakt door wijzigingen in warmte, koude, droogte of vochtigheid. Demonen, geesten en allerlei bijgeloof werden aan deze "kennis" toegevoegd. Naast deze officiële geneeskundigen stonden de barbiers-chirurgijnen als practici klaar om de mensen te helpen. Deze barbiers deden allerlei ingrepen met het mes, verzorgden wonden en zweren, behandelden breuken en voerden ook amputaties uit. Er was nauwelijks contact tussen de doctores medicinae en de chirurgijnen.
